KOMENDE TENTOONSTELLING

VOS en HAANEN

Kunstzusters in Oosterbeek

10 maart t/m 30 augustus 2026

Adriana Haanen (1814-1895) en Maria Vos (1824-1906): twee getalenteerde kunstenaressen in de negentiende eeuw, een eeuw waarin het voor vrouwen niet eenvoudig is om kunstenaar te worden. Gericht onderwijs volgen is lastig, het damesklasje aan de Academie is vaak de enige mogelijkheid om op enig niveau lessen te volgen. Tekenen en schilderen naar (naakt) model is voor vrouwen uit den boze. Toch lukt het een aantal kunstenaressen om een goede boterham te verdienen met hun werk. Net als Thérèse Schwartze (1851-1918), aan wie Museum Paul Tetar van Elven eerder een tentoonstelling wijdde, zijn ook Adriana Haanen en Maria Vos zeer succesvol. Zij exposeren hun (bloem)stillevens en landschappen met regelmaat op de Tentoonstellingen van Levende Meesters waar zij voor hoge prijzen van de hand gaan. Werk van Haanen wordt o.a. aangekocht door koning Willem II. Maar ook bij de kunstcritici oogsten de dames veel waardering.


Zo is Adriana Haanen in 1855 met een stilleven vertegenwoordigd op Wereldtentoonstelling in Parijs, waar zij volgens de recensent  van de Nieuwe Rotterdamsche Courant met haar inzending haar landgenoten de loef afsteekt. En ook Maria Vos oogst lof, en wel van niemand minder dan Vincent van Gogh In een brief uit 1870 schrijft hij: “In Amsterdam zag ik stillevens van Mejuffrouw Vos, die ik uitmuntend vond”.


Ondanks de bekendheid tijdens hun leven worden beide kunstenaressen, net als zoveel van hun vrouwelijke collega’s, na hun dood al gauw vergeten. Er worden geen monografieën aan hen gewijd en in overzichten over de kunst in de 19de eeuw vormen zij slechts een voetnoot.


Maria Vos duikt weliswaar in 1989, dankzij de in die jaren groeiende aandacht voor vrouwelijke kunstenaars, samen met andere bloemschilderessen op in de tentoonstelling “Bloemen uit de kelder” in Museum Arnhem.  Pas in 2012 werpt Hanna Klarenbeek in haar boek “Penseelprinsessen en broodschilderessen” nieuw licht op het werk van beide vrouwen. Zij citeert daarbij de kunstcriticus Schramm, die als een van de weinigen Adriana Haanen vermeldde in “Onze schilders in Pulchri Studio” van 1881: “Het komt mij voor dat het niet onbelangrijk voor de Geschiedenis der Kunst is, ook de namen der Kunstenaressen te kennen”.


Op de tentoonstelling in Museum Paul Tetar van Elven krijgen Maria Vos en Adriana Haanen, die vele jaren in Oosterbeek samenwoonden en -werkten, de aandacht die ze verdienen. Het initiatief daartoe lag bij hun dorpsgenoot Pieter van der Kuil, die hun leven en werk uitgebreid onderzocht en beschreef en zijn kennis royaal met ons deelde. Een nadere kennismaking met het werk van Haanen stond al jaren op ons verlanglijstje. In de collectie van het museum bevindt zich namelijk een klein werk van haar hand.